beende

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • been·de

Werkwoord

vervoeging van
benen

beende

  1. enkelvoud verleden tijd van benen
    • Ik beende. 
    • Jij beende. 
    • Hij, zij, het beende. 
     Met grote stappen beende hij naar de bank en plofte neer.[1]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2