Naar inhoud springen

beef

Uit WikiWoordenboek
  • beef
  • [A]  beven ww  zonder de uitgang -en, waarbij de slotmedeklinker stemloos wordt
  • [B] van Engels  beef zn 
vervoeging van
beven

[A] beef

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beven
    • Ik beef. 
  2. gebiedende wijs van beven
    • Beef! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beven
    • Beef je? 
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord beef -
verkleinwoord - -

[B]debeefm

  1. (jongerentaal) felle, langer durende onenigheid met een ander
  2. (muziek) vete tussen twee rappers, muzikaal vormgegeven in een reeks nummers waarin ze elkaar beschimpen
79 %van de Nederlanders;
56 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


  1. (voeding) rundvlees
  2. (informeel) wrok, afkeer, ruzie
vervoeging
onbepaalde wijs to  beef 
he/she/it  beefs 
verleden tijd  beefed 
voltooid
deelwoord
 beefed 
onvoltooid
deelwoord
 beefing 
gebiedende wijs  beef 

beef

  1. onovergankelijk, (vulgair) klagen
  2. onovergankelijk, (vulgair) een  scheet zn  laten
  3. onovergankelijk, (regionaal)  schreeuwen ww , het uitschreeuwen
  4. onovergankelijk luid zingen
  5. overgankelijk, (vulgair) versterken (groter/zwaarder maken)