beef

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • beef

Werkwoord

vervoeging van
beven

beef

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beven
    • Ik beef. 
  2. gebiedende wijs van beven
    • Beef! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beven
    • Beef je? 

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
64 % van de Vlamingen.


Engels

Zelfstandig naamwoord

  1. (voeding) rundvlees
Afgeleide begrippen
Hyperoniemen
Verwante begrippen