bedek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·dek

Werkwoord

vervoeging van
bedekken

bedek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedekken
    • Ik bedek. 
  2. gebiedende wijs van bedekken
    • Bedek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedekken
    • Bedek je?