becijferde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·cij·fer·de

Werkwoord

vervoeging van
becijferen

becijferde

  1. enkelvoud verleden tijd van becijferen
    • Ik becijferde. 
    • Jij becijferde. 
    • Hij, zij, het becijferde.