becijferen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·cij·fe·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
becijferen
becijferde
becijferd
zwak -d volledig

Werkwoord

becijferen

  1. overgankelijk uitrekenen
    • Dat werd becijferd op drie miljoen euro. 
  2. overgankelijk door cijfers aanwijzen
  3. overgankelijk (muziek) notaties door cijfers aangeven
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.