Naar inhoud springen

baffe

Uit WikiWoordenboek
  • van het onomatopee baf[1]
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  baffe     la baffe     baffes     les baffes  

baffe v

  1. (spreektaal) klap, optater
    «Cette gonzesse lui a allongé / flanqué / fiché / foutu une baffe
    Die meid heeft hem een optater gegeven.
    «Les gosses ont besoin qu’on leur foute des baffes de temps en temps.»
    Kinderen hebben af en toe wat klappen nodig. [2]
vervoeging van
baffer

baffe

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van baffer
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van baffer
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van baffer