baasje
Uiterlijk
- baas·je
het baasje o
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord baas
- ▸ De hond vermoedt dat die ernst, je zou het zelfs intelligentie kunnen noemen, die hij bij andere honden niet of nauwelijks bespeurt, bij hem is teweeggebracht doordat wijlen zijn baasje, een in ongenade geraakte historicus, hem zijn clandestiene politieke pamfletten voorlas.[1]
- ▸ Haar teckel had nerveus aan de lijn gezeten die om haar moeders arm gedraaid zat, niet begrijpend waarom zijn baasje niet meer verderging.[2]
- Het woord baasje staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Safae el Khannoussi“Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim
, ISBN 9789493339125 - ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Woordenlijst Nederlandse Taal