arriveerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·ri·veer·de

Werkwoord

vervoeging van
arriveren

arriveerde

  1. enkelvoud verleden tijd van arriveren
    • Ik arriveerde. 
    • Jij arriveerde. 
    • Hij, zij, het arriveerde.