arbeidde
Uiterlijk
- ar·beid·de
| vervoeging van |
|---|
| arbeiden |
arbeidde
- enkelvoud verleden tijd van arbeiden
- Ik arbeidde.
- Jij arbeidde.
- Hij, zij, het arbeidde.
- Ik arbeidde.
- Het woord arbeidde staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ar·beid·de
| Naar frequentie | > 50000 |
|---|
arbeidde
- verleden tijd van arbeide
- ar·beid·de
arbeidde
- verleden tijd van arbeida
arbeidde
- verleden tijd van arbeide
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Woorden in het Noors
- Woorden in het Noors van lengte 8
- Werkwoordsvorm in het Noors
- Woorden in het Nynorsk
- Woorden in het Nynorsk van lengte 8
- Werkwoordsvorm in het Nynorsk