annexeer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·nexeer

Werkwoord

vervoeging van
annexeren

annexeer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van annexeren
    • Ik annexeer. 
  2. gebiedende wijs van annexeren
    • Annexeer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van annexeren
    • Annexeer je?