alloceerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·lo·ceer·de

Werkwoord

vervoeging van
alloceren

alloceerde

  1. enkelvoud verleden tijd van alloceren
    • Ik alloceerde. 
    • Jij alloceerde. 
    • Hij, zij, het alloceerde.