allieerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·li·eer·de

Werkwoord

vervoeging van
alliëren

allieerde

  1. enkelvoud verleden tijd van alliëren
    • Ik allieerde. 
    • Jij allieerde. 
    • Hij, zij, het allieerde.