affirmeerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·fir·meer·de

Werkwoord

vervoeging van
affirmeren

affirmeerde

  1. enkelvoud verleden tijd van affirmeren
    • Ik affirmeerde. 
    • Jij affirmeerde. 
    • Hij, zij, het affirmeerde.