adverteerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ad·ver·teer·de

Werkwoord

vervoeging van
adverteren

adverteerde

  1. enkelvoud verleden tijd van adverteren
    • Ik adverteerde. 
    • Jij adverteerde. 
    • Hij, zij, het adverteerde.