achtte
Uiterlijk
- acht·te
| vervoeging van |
|---|
| achten |
achtte
- enkelvoud verleden tijd van achten
- Ik achtte.
- Jij achtte.
- Hij, zij, het achtte.
- Ik achtte.
- ▸ En ook was er nog een groep, hoewel veel kleiner, die het zeer aannemelijk achtte dat de echtgenote van de gedaagde en de vermeende tweede echtgenote onder één hoedje speelden, daar het in de natuur van de vrouw ligt de man te saboteren, zelfs als dat zou betekenen dat je je krachten bundelt met je gezworen rivale.[1]
- Het woord achtte staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Safae el Khannoussi“Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim
, ISBN 9789493339125