achten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
achten
'ɑxtə(n)
achtte
'ɑxtə
geacht
ɣə'ʔɑxt
zwak -t volledig

Werkwoord

achten

  1. (overgankelijk) beschouwen, van mening zijn, houden voor
    Ik acht u daartoe in staat.
  2. achting geven, een positieve mening hebben over
  3. acht slaan op

Zelfstandig naamwoord

achten

  1. meervoud van acht
  2. roeiwedstrijd tussen achtpersoonsboten (achten)

Zelfstandig naamwoord

achten

  1. datief van acht na voortzetsels bij tijdsaanduidingen
    Het zal rond achten geweest zijn.
Uitdrukkingen en gezegden
  • Zij waren met zijn achten.
Zij waren acht in getal.