accabler
Uiterlijk
- samenstelling van ac- vz en cabler ww "schudden van de bomen, zodat de boomvruchten naar beneden vallen" [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| accabler |
accablais |
accablé |
| eerste groep | volledig | |
accabler
- naar de grond drukken, doen vallen
- bezwijken (onder het gewicht, e.d.)
- (figuurlijk) overstelpen, overladen (bijv. met verwijten, lofprijzingen, enz.)
- (figuurlijk) belasten, overbelasten
- (figuurlijk) overweldigen
- ↑ accabler (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.