abstraheerde
Uiterlijk
- ab·stra·heer·de
| vervoeging van |
|---|
| abstraheren |
abstraheerde
- enkelvoud verleden tijd van abstraheren
- Ik abstraheerde.
- Jij abstraheerde.
- Hij, zij, het abstraheerde.
- Ik abstraheerde.
- Het woord abstraheerde staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.