abound
Uiterlijk
- Geluid: abound (VS) (hulp, bestand)
- IPA: /əˈbaʊnd/
- Bekend sinds begin 14e eeuw. Via Oudfrans abonder afkomstig van het Latijnse werkwoord abundare "(= voor het oprapen liggen)" met het voorvoegsel ab-.[1]
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to abound |
| he/she/it | abounds |
| verleden tijd | abounded |
| voltooid deelwoord |
abounded |
| onvoltooid deelwoord |
abounding |
| gebiedende wijs | abound |
abound
- onovergankelijk in overvloed aanwezig zijn
- onovergankelijk overvloedig zijn, wemelen van