abouler

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak

Werkwoord

abouler

  1. (spreektaal) betalen, dokken
    «Si tu veux participer, aboule ton pèze!»
    Als je wil meedoen, breng dan je poen maar mee!
    «Aboule ta fraise!»
    Kom eens hier!

s’abouler

  1. wederkerend (spreektaal) komen (aankakken)
    «Aboule-toi
    Kom eens hier! [1]

Verwijzingen