aanhecht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·hecht

Werkwoord

vervoeging van
aanhechten

aanhecht

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanhechten
    • ... dat ik aanhecht. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanhechten
    • ... dat jij aanhecht. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanhechten
    • ... dat hij aanhecht. 

Gangbaarheid