wapperen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wap·pe·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wapperen
wapperde
gewapperd
zwak -d volledig

Werkwoord

wapperen

  1. (inergatief) heen en weer waaien
    Haar haren wapperden in de wind toen de motorboot op snelheid kwam.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen