verwilderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·wil·de·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verwilderen
verwilderde
verwilderd
zwak -d volledig

Werkwoord

verwilderen

  1. (ergatief) vervallen in een staat van wildheid
    De tuin was in een paar weken tijd helemaal verwilderd.