verwilderen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·wil·de·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| verwilderen |
verwilderde |
verwilderd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
verwilderen
- (ergatief) vervallen in een staat van wildheid
- De tuin was in een paar weken tijd helemaal verwilderd.