verloor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·loor

Werkwoord

vervoeging van
verliezen

verloor

  1. enkelvoud verleden tijd van verliezen
    Ik verloor.
    Jij verloor.
    Hij, zij, het verloor.


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
verloor
verloor
volledig

Werkwoord

verloor

  1. verliezen
    «Jy gaan dit verloor
    Dat ga je verliezen!