uitadem
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- uit·adem
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| uitademen |
uitadem
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitademen
- ... dat ik uitadem.
| vervoeging van |
|---|
| uitademen |
uitadem