trumeau
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- tru·meau
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | trumeau | trumeaus |
| verkleinwoord | trumeautje | trumeautjes |
Zelfstandig naamwoord
trumeau m
- (bouwkunde) een middenpilaar of middenpijler in een brede deurpartij
- Een trumeau is vaak bij het portaal van een kerk of kathedraal aan te treffen.