trachten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • trach·ten

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
trachten
'trɑxtə(n)
trachtte
'trɑxtə
getracht
ɣə'trɑxt
zwak -t volledig

trachten

  1. (inergatief) een poging in het werk stellen
    Hij trachtte een verkiezingsnederlaag te voorkomen.
Synoniemen