trachten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- trach·ten
Werkwoord
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| trachten 'trɑxtə(n) |
trachtte 'trɑxtə |
getracht ɣə'trɑxt |
| zwak -t | volledig | |
trachten
- (inergatief) een poging in het werk stellen
- Hij trachtte een verkiezingsnederlaag te voorkomen.
Synoniemen
- [1] proberen