speeltje
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- speel·tje
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | - | - |
| verkleinwoord | speeltje | speeltjes |
Zelfstandig naamwoord
speeltje o dim. tant.
- een voorwerp dat door een zuigeling gebruikt wordt om mee te spelen
- Hij laat nu zijn speeltje met opzet op de grond vallen, zodat papa het weer op moet rapen.
- gekscherend iets waar een groot iemand dol op is
- Ah, ik zie dat je weer een nieuw speeltje hebt? Een nieuwe BMW nog al liefst.