speeltje

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • speel·tje
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord speeltje speeltjes

Zelfstandig naamwoord

speeltje o dim. tant.

  1. een voorwerp dat door een zuigeling gebruikt wordt om mee te spelen
    Hij laat nu zijn speeltje met opzet op de grond vallen, zodat papa het weer op moet rapen.
  2. gekscherend iets waar een groot iemand dol op is
    Ah, ik zie dat je weer een nieuw speeltje hebt? Een nieuwe BMW nog al liefst.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen