soppen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sop·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
soppen
sopte
gesopt
zwak -t volledig

Werkwoord

soppen

  1. (overgankelijk) voedsel in een drank dopen
    Hij zat een beschuitje in zijn koffie te soppen.
  2. (overgankelijk) met sop schoonmaken
    Ik heb de hele vrijdag besteed aan het grondig soppen van m'n huis.
  3. (inergatief) (bij het kaartspel tachtigen) moedwillig een hoge kaart niet spelen
    Er wordt weer eens flink gesopt.
  4. (inergatief) geslachtsgemeenschap hebben

Zelfstandig naamwoord

soppen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord sop