soppen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sop·pen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| soppen |
sopte |
gesopt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
soppen
- (overgankelijk) voedsel in een drank dopen
- Hij zat een beschuitje in zijn koffie te soppen.
- (overgankelijk) met sop schoonmaken
- Ik heb de hele vrijdag besteed aan het grondig soppen van m'n huis.
- (inergatief) (bij het kaartspel tachtigen) moedwillig een hoge kaart niet spelen
- Er wordt weer eens flink gesopt.
- (inergatief) geslachtsgemeenschap hebben
Zelfstandig naamwoord
soppen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord sop