sop
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sop
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | sop | soppen |
| verkleinwoord | sopje | sopjes |
Zelfstandig naamwoord
sop o
- gewoonlijk warm water waaraan schoonmaakmiddel is toegevoegd
- Ik zal even een sopje maken om dat schoon te maken.
- (scheepvaart) het zeewater
- Hij koos het ruime sop.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| soppen |
sop
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van soppen
- Ik sop.
- gebiedende wijs van soppen
- Sop!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van soppen
- Sop je?
Indonesisch
Woordafbreking
- sop
Woordherkomst en -opbouw
- uit het Nederlands soep
Zelfstandig naamwoord
sop