soepel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- soe·pel
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | soepel | soepeler | soepelst |
| verbogen | soepele | soepelere | soepelste |
Bijvoeglijk naamwoord
soepel
- gemakkelijk buigend en zich aanpassend
- Het leer was door invetten weer soepel geworden.
- (figuurlijk) weinig problemen ondervindend
- De zaak werd op een soepele manier afgehandeld.
Vertalingen
1. gemakkelijk buigend en zich aanpassend