soepel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • soe·pel
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen soepel soepeler soepelst
verbogen soepele soepelere soepelste

Bijvoeglijk naamwoord

soepel

  1. gemakkelijk buigend en zich aanpassend
    Het leer was door invetten weer soepel geworden.
  2. (figuurlijk) weinig problemen ondervindend
    De zaak werd op een soepele manier afgehandeld.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen