snorren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snor·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
snorren
snorde
gesnord
zwak -d volledig

Werkwoord

snorren

  1. (inergatief) een snorrend geluid produceren
    Het toestel snorde zachtjes.
  2. zich snorrend voortbewegen
    Hij kwam om de hoek gesnord.
  3. (ergatief) zich op een snorfiets voortbewegen
    Ik ben maar naar huis gesnord.


Zelfstandig naamwoord

snorren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord snor
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen