snorren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- snor·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| snorren |
snorde |
gesnord |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
snorren
- (inergatief) een snorrend geluid produceren
- Het toestel snorde zachtjes.
- zich snorrend voortbewegen
- Hij kwam om de hoek gesnord.
- (ergatief) zich op een snorfiets voortbewegen
- Ik ben maar naar huis gesnord.
Zelfstandig naamwoord
snorren mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord snor