schorsen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schor·sen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| schorsen |
schorste |
geschorst |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
schorsen
- (overgankelijk) voorlopig of tijdelijk verbieden een functie uit te voeren
- Hij werd geschorst voor twee weken.
- (overgankelijk) (een vergadering of rechtszitting) tijdelijk onderbreken
- Het beraad is geschorst tot woensdagmiddag, volgens vice-premier Remkes uit piëteit voor de koninklijke familie.
Synoniemen
- [2] onderbreken
Verwante begrippen
- [1] tijdelijk ontslaan
- [2] staken, uitstellen
Vertalingen
1. voorlopig of tijdelijk verbieden een functie uit te voeren
2. tijdelijk onderbreken
Zelfstandig naamwoord
schorsen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schors