schok
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schok
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schok | schokken |
| verkleinwoord | schokje | schokjes |
Zelfstandig naamwoord
schok m
- een plotsklapse en hevige beweging
- Deze schok werd veroorzaakt door het verschuiven van twee tektonische platen.
- een gebeurtenis die iemand hevig van de wijs brengt
- Haar dood was een schok voor velen.
- een blootstelling aan een elektrische potentiaal
- Pas op, krijg geen schok van dat losse contact!
Vertalingen
2. een gebeurtenis die iemand hevig van de wijs brengt