schieben

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • schie·ben
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Middelhogduitse werkwoord schieben , dat van het Oudhoogduitse werkwoord scioban (daarheen schieten, gooien) komt
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schieben
schob
(hat) geschoben
Klasse 2 sterk volledig niet-samengesteld

Werkwoord

schieben

  1. (onovergankelijk), (overgankelijk) schuiven
    «Reservieren ist besonders nützlich, wenn Sie mit vier oder mehr Personen kommen. Dann können wir bereits vorab schon mal die Tische und Stühle schieben, so dass Sie mit allen an einem Tisch sitzen können.»
    Reserveren is vooral handig wanneer u met vier of meer personen komt. Dan kunnen we vooraf alvast met tafels en stoelen schuiven, zodat u met zijn allen aan één tafel kunt zitten.
  2. (onovergankelijk), (overgankelijk) duwen
    «Ich konnte die Frau zur Seite schieben und lief hinaus.»
    Ik kon die vrouw opzij duwen en liep naar buiten.
Afgeleide begrippen