schamel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- scha·mel
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | schamel | schameler | schamelst |
| verbogen | schamele | schamelere | schamelste |
Bijvoeglijk naamwoord
schamel
- waarvoor men zich schaamt
- Dit is toch een schamele vertoning.
- gering in omvang
- Ik heb een schamel bedrag bij elkaar gespaard.