ruik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ruik

Werkwoord

vervoeging van
ruiken

ruik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruiken
    Ik ruik.
  2. gebiedende wijs van ruiken
    Ruik!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruiken
    Ruik je?