rijmen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rij·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rijmen
rijmde
gerijmd
zwak -d volledig

Werkwoord

rijmen

  1. (inergatief) (van woorden of regels) een opvallende herhaling van klanken laten horen
    Hoe gedichten moeten rijmen is van taal en tijdperk afhanelijk.
  2. (inergatief) (in het Nederlands) vanaf de laatste beklemtoonde lettergreep hetzelfde klinken
    "Hinderen" rijmt wel op "kinderen", maar niet op "blinderen".
  3. (inergatief) woorden of regels zo op elkaar laten volgen dat er een opvallende herhaling van klanken ontstaat
    Door in deze regels niet te rijmen, drukt de dichter verwarring uit.
  4. (inergatief) dichten, verzen maken
    Doordat ze veel leest, kan ze goed rijmen.
  5. (figuurlijk) (ergatief) in overeenstemming zijn (gebruikt in ontkennende zin)
    Zijn dure auto is niet te rijmen met zijn lage inkomen.
  6. (overgankelijk) woorden of regels zo kiezen dat ze vanaf de laatste beklemtoonde lettergreep hetzelfde klinken
    Hij maakt graag verzen, en op feestjes rijmt hij op elke vraag van de gasten een grappig antwoord.
  7. (overgankelijk) maken van een vers
    Zij rijmde een afscheidslied voor haar collega.
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

rijmen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rijm