prediken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·di·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
prediken
predikte
gepredikt
zwak -t volledig

Werkwoord

prediken

  1. (overgankelijk) (religie) de leer van een geloof verkondigen
    De dominee predikte over de brief aan de Romeinen.
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen