poepten
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- poep·ten
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| poepen |
poepten
- meervoud verleden tijd van poepen
- Wij poepten.
- Jullie poepten.
- Zij poepten.
- Wij poepten.
| vervoeging van |
|---|
| poepen |
poepten