poepen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- poe·pen
Woordherkomst en -opbouw
- [1], [2], [3] Denominaal gevormd van poep (« wind »)
- [4] Een nevenvorm van poppen, dat in eerste instantie betekent "met de poppen spelen".
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| poepen /ˈpupə(n)/ |
poepte /ˈpuptə/ |
gepoept /ɣəˈpupt/ |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
poepen
- poep uitwerpen, zijn behoefte doen [1]
- Hij rende naar de wc omdat hij nodig moest poepen.
- (verouderd) winden laten
- Als je te veel uien eet, loop je de hele dag lang te poepen.
- (gewestelijk) bevallen
- Toen ze net zeven maanden zwanger was, brak haar water; ze zou dadelijk gaan poepen.
- (België) geslachtsgemeenschap hebben (indien overgankelijk: "met [een vrouw]") [2]
- Het verliefde koppeltje lag 's avonds in de duinen te poepen.
- Hij poepte zijn partner elke zondagochtend.
Synoniemen
Vertalingen
Zelfstandig naamwoord
poepen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord poep