pardon

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • par·don

Tussenwerpsel

  1. neemt u mij niet kwalijk.
    Pardon, mag ik u iets vragen?
enkelvoud meervoud
naamwoord pardon
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pardon o

  1. iets kwijt schelden.
    De minister wilde geen pardon geven voor de overtreders.
Persoonlijke instellingen