paf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paf

Tussenwerpsel

paf!

  1. een knal nabootsend, bijvoorbeeld van een pistool
    En, paf! Er klonk een schot en hij lag gewond op de grond.
enkelvoud meervoud
naamwoord paf -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

paf m

  1. het roken, met name van tabak
    De jeugd in dat land is nog aardig aan de paf.
stellend
onverbogen paf
verbogen paffe

Bijvoeglijk naamwoord

paf

  1. verbaasd staand
    Ik loop voor het Mariabeeld om de gang in, en opeens wordt de paffe stilte gespleten door een schreeuw.[1]

Werkwoord

vervoeging van
paffen

paf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paffen
    Ik paf.
  2. gebiedende wijs van paffen
    Paf!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paffen
    Paf je?
Verwijzingen
  1. Bavo Claes. 'Kraai'
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen