pachten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pach·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pachten
pachtte
gepacht
zwak -t volledig

Werkwoord

pachten

  1. (overgankelijk) huur betalen voor het recht om een stuk land te gebruiken dat aan een ander toebehoort
    Dat land werd lang gepacht maar kan nu aangekocht worden.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen