pachten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pach·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| pachten |
pachtte |
gepacht |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
pachten
- (overgankelijk) huur betalen voor het recht om een stuk land te gebruiken dat aan een ander toebehoort
- Dat land werd lang gepacht maar kan nu aangekocht worden.