overbood

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·bood

Werkwoord

vervoeging van
overbieden

overbood

  1. enkelvoud verleden tijd van overbieden
    Ik overbood.
    Jij overbood.
    Hij, zij, het overbood.