opmaakte
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- op·maak·te
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| opmaken |
opmaakte
- (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van opmaken
- ... dat ik opmaakte.
- ... dat jij opmaakte.
- ... dat hij, zij, het opmaakte.
- ... dat ik opmaakte.