opmaken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- op·ma·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| opmaken |
maakte op |
opgemaakt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
opmaken
- (overgankelijk) iets verbruiken tot het op is
- De kinderen maakten al het snoep op voordat moeder thuis zou komen.
- (overgankelijk) iets concluderen
- Uit wat de verdachte zei, kon de politie niets opmaken.
- (wederkerend) make-up aanbrengen
- De meisjes maken zich voor de spiegel op.
- (overgankelijk) een tekstdocument opstellen of vormgeven
- De vormgevers van de krant maken de gekozen artikelen op.
- (overgankelijk) iets klaarmaken
- Zijn moeder was zijn bed nog aan het opmaken.