ophielden
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- op·hiel·den
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| ophouden |
ophielden
- (in een bijzin) meervoud verleden tijd van ophouden
- ...dat wij ophielden.
- ...dat jullie ophielden.
- ...dat zij ophielden.
- ...dat wij ophielden.