ontwaken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- ont·wa·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ontwaken |
ontwaakte |
ontwaakt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
ontwaken
- (ergatief) uit de slaap weer tot vol bewustzijn terugkeren
- Hij was nog maar net ontwaakt toen het brandalarm weerklonk.