onheil

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·heil
enkelvoud meervoud
naamwoord onheil -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

onheil o

  1. groot ongeluk.
    De jongen voelde dat er onheil in de lucht hing, en maakte zich uit de voeten.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • plaats des onheils
    • gevaarlijke plaats
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen